meg

Faeröers

Uitspraak
  • IPA: /meː/
enkelvoud meervoud
nominatief egvit
accusatief megokkum
genitief mínokkara
datief mærokkum

Persoonlijk voornaamwoord

meg

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)

Hongaars

Uitspraak
  • IPA: /ˈmɛg/

Voegwoord

meg

  1. en

Noors

Uitspraak
  • Geluid:  meg    (hulp, bestand)
  • IPA: /mæj/
Woordafbreking
  • meg
Naar frequentie 16

Persoonlijk voornaamwoord

meg

  1. (1e persoon enkelvoud) mij, me (informeel)
  1. «Kan noen fortelle meg hva som har skjedd her?»
    Kan iemand mij vertellen wat er hier gebeurd is?
Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het Bokmål)
getal / respect pers. genus / bezield onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e   jeg ik meg mij
2e   du jij deg jou
3e m persoon
m ding
han
den
hij han / ham
den
hem
v persoon
v ding
hun
den
zij henne
den
haar
o det het det het
meervoud 1e   vi wij oss ons
2e   dere jullie dere jullie
3e   de zij dem hen
beleefdheidsvorm 2e   De u Dem u

Nynorsk

Uitspraak
  • Geluid:  meg    (hulp, bestand)
  • IPA: /mæj/
Woordafbreking
  • meg

Persoonlijk voornaamwoord

meg

  1. (1e persoon enkelvoud) mij, me (informeel)
Nynorske persoonlijke voornaamwoorden
getal / respect pers. genus onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e   eg ik meg mij
2e   du jij deg jou
3e m han hij han (honom) hem
v ho zij ho / henne haar
o det het det het
meervoud 1e   vi wij oss ons
2e   de jullie dykk jullie
3e   dei zij dei hen
beleefdheidsvorm 2e   De u Dykk u
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.