optuigen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·tui·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optuigen
tuigde op
opgetuigd
zwak -d volledig

Werkwoord

optuigen

  1. overgankelijk het voorzien van versierselen en andere toebehoren
    • Wij hebben onze kerstboom al opgetuigd. 
  1. (scheepvaart) het op een (zeil-)schip aanbrengen van tuig en uitrusting: masten, laadbomen, staand en lopend want, verlichting enz.
    • De scheepstuiger zal het jacht optuigen met een traditioneel gaffeltuig." 
  1. (bedrijfskunde) het uitbreiden of het nieuw opzetten van een organisatie of bedrijf
    • Er wordt gedacht aan het weer optuigen van een eigen reparatieafdeling. 
  1. Een paard klaarmaken om een kar te trekken, of om bereden ter worden[1]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

  • Het woord optuigen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
100 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.

Verwijzingen

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.