reiziger

Nederlands

Uitspraak
  • Geluid:  reiziger    (hulp, bestand)
  • IPA: /'rɛɪzəɣər/
Woordafbreking
  • rei·zi·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die reist’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord reiziger reizigers
verkleinwoord reizigertje reizigertjes

Zelfstandig naamwoord

reiziger m

  1. iemand die bezig is een reis te maken
    • De reizigers waren gestrand doordat het noodweer het luchtverkeer tot een chaos gemaakt had. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

  • Het woord reiziger staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.