blamage

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bla·ma·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘afgang’ voor het eerst aangetroffen in 1929 [1]
  • Naamwoord van handeling van blameren met het achtervoegsel -age [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord blamage blamages
verkleinwoord blamagetje blamagetjes

Zelfstandig naamwoord

blamage v

  1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
    • De actie werd een complete blamage. 
Vertalingen

Gangbaarheid

  • Het woord blamage staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
99 %van de Nederlanders;
91 %van de Vlamingen.

Verwijzingen

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.