buurtcafé

Nederlands

De kroeg van Klaas in Groningen
Uitspraak
Woordafbreking
  • buurt·ca·fé
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurtcafé buurtcafés
verkleinwoord buurtcafeetje buurtcafeetjes

Zelfstandig naamwoord

buurtcafé o

  1. café waarvan de klandizie vooral uit de buurt komt en de vaste gasten elkaar vaak kennen
    • Elke avond om elf uur steekt hij de straat over. Van zijn huis naar buurtcafé Welling, pal achter het Concertgebouw. Daar kletst hij met andere stamgasten, drinkt een paar glazen wijn. Om middernacht gaat hij naar huis, anders kan zijn vrouw niet slapen. Tenzij er interessante gesprekken zijn, dan mag hij blijven. En soms is hij ook zelf middenin een verhaal, want Loevendie vertelt graag - en sappig. [1] 
    • Het werd herfst, winter, lente, zomer, herfst en winter, op pakjes shag verschenen foto’s van bloedopgevende vrouwen, een gat in een keel waarin ik in eerste instantie een anus zag, en hoestende kinderen. Ik rookte in de regen op het balkon, stond in de deuropening van het buurtcafé met Spijk, een man van wie de snor geel was uitgeslagen, en liet me met enige regelmaat ongevraagd door iedereen die maar wilde vertellen dat ik naar rook stonk, wallen onder mijn ogen had en dat ik mijn kind niet zou zien opgroeien.[2]  
Hyperoniemen
  • horecagelegenheid

Gangbaarheid

  • Het woord buurtcafé staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Mischa Spel 9 maart 2017
  2. NRC Marcel van Roosmalen 17 januari 2017
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.