suffen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • suf·fen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘soezen’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
suffen
sufte
gesuft
zwak -t volledig

Werkwoord

suffen [3]

  1. onovergankelijk niet in de gaten hebben wat er om iemand heen gebeurt
  2. onovergankelijk niet al te helder van geest zijn
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

  • Het woord suffen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
97 %van de Nederlanders;
86 %van de Vlamingen.

Verwijzingen

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.