ish

Engels

Uitspraak
  • Geluid:  ish    (hulp, bestand)
  • IPA: /ɪʃ/
Woordafbreking
  • ish
Woordherkomst en -opbouw
  • zelfstandig gebruik van het suffix -ish dat aangeeft dan een eigenschap maar beperkte aanwezig is

Bijwoord

ish

  1. (spreektaal) min of meer (de spreker neemt iets terug wat hij net zei)
  1. «Dinner was fine, ish.»
    Het avondeten was lekker, min of meer.
  2. (spreektaal) ongeveer, bij benadering
  1. «I'll help you Wednesday. Ish.»
    Ik help je woensdag. Of zo.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.