vergemakkelijken

Dutch

Etymology

From ver- + makkelijk + -en.

Pronunciation

  • (file)

Verb

vergemakkelijken

  1. to simplify, facilitate

Inflection

Inflection of vergemakkelijken (weak, prefixed)
infinitive vergemakkelijken
past singular vergemakkelijkte
past participle vergemakkelijkt
infinitive vergemakkelijken
gerund vergemakkelijken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vergemakkelijkvergemakkelijkte
2nd person sing. (jij) vergemakkelijktvergemakkelijkte
2nd person sing. (u) vergemakkelijktvergemakkelijkte
2nd person sing. (gij) vergemakkelijktvergemakkelijkte
3rd person singular vergemakkelijktvergemakkelijkte
plural vergemakkelijkenvergemakkelijkten
subjunctive sing.1 vergemakkelijkevergemakkelijkte
subjunctive plur.1 vergemakkelijkenvergemakkelijkten
imperative sing. vergemakkelijk
imperative plur.1 vergemakkelijkt
participles vergemakkelijkendvergemakkelijkt
1) Archaic.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.