uitzenden

Dutch

Etymology

Composed of uit + zenden.

Pronunciation

  • (file)

Verb

uitzenden

  1. To send out, to deploy.
  2. To broadcast.

Inflection

Inflection of uitzenden (strong class 3, separable)
infinitive uitzenden
past singular zond uit
past participle uitgezonden
infinitive uitzenden
gerund uitzenden n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zend uitzond uituitzenduitzond
2nd person sing. (jij) zendt uitzond uituitzendtuitzond
2nd person sing. (u) zendt uitzond uituitzendtuitzond
2nd person sing. (gij) zendt uitzondt uituitzendtuitzondt
3rd person singular zendt uitzond uituitzendtuitzond
plural zenden uitzonden uituitzendenuitzonden
subjunctive sing.1 zende uitzonde uituitzendeuitzonde
subjunctive plur.1 zenden uitzonden uituitzendenuitzonden
imperative sing. zend uit
imperative plur.1 zendt uit
participles uitzendenduitgezonden
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.