gevangenzetten

Dutch

Etymology

From gevangen + zetten.

Pronunciation

  • IPA(key): /ɣəˈvɑŋə(n)zɛtə(n)/
  • (file)

Verb

gevangenzetten

  1. (transitive) to incarcerate

Inflection

Inflection of gevangenzetten (weak, separable)
infinitive gevangenzetten
past singular zette gevangen
past participle gevangengezet
infinitive gevangenzetten
gerund gevangenzetten n|- class="vsHide" style="background: #E6E6FF;" main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zet gevangenzette gevangengevangenzetgevangenzette
2nd person sing. (jij) zet gevangenzette gevangengevangenzetgevangenzette
2nd person sing. (u) zet gevangenzette gevangengevangenzetgevangenzette
2nd person sing. (gij) zet gevangenzette gevangengevangenzetgevangenzette
3rd person singular zet gevangenzette gevangengevangenzetgevangenzette
plural zetten gevangenzetten gevangengevangenzettengevangenzetten
subjunctive sing.1 zette gevangenzette gevangengevangenzettegevangenzette
subjunctive plur.1 zetten gevangenzetten gevangengevangenzettengevangenzetten
imperative sing. zet gevangen
imperative plur.1 zet gevangen
participles gevangenzettendgevangengezet
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.