afzoeken

Dutch

Etymology

From af + zoeken.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈɑfˌsukə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: af‧zoe‧ken

Verb

afzoeken

  1. (transitive) to search (an area) thoroughly

Inflection

Inflection of afzoeken (weak with past in -cht, separable)
infinitive afzoeken
past singular zocht af
past participle afgezocht
infinitive afzoeken
gerund afzoeken n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zoek afzocht afafzoekafzocht
2nd person sing. (jij) zoekt afzocht afafzoektafzocht
2nd person sing. (u) zoekt afzocht afafzoektafzocht
2nd person sing. (gij) zoekt afzocht afafzoektafzocht
3rd person singular zoekt afzocht afafzoektafzocht
plural zoeken afzochten afafzoekenafzochten
subjunctive sing.1 zoeke afzochte afafzoekeafzochte
subjunctive plur.1 zoeken afzochten afafzoekenafzochten
imperative sing. zoek af
imperative plur.1 zoekt af
participles afzoekendafgezocht
1) Archaic.

Anagrams

This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.