aarswis

Dutch

Etymology

From Middle Dutch *arswisc, *arswisg (mentioned in the Glossarium Bernense). Equivalent to aars + wis.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈaːrs.ʋɪs/
  • Hyphenation: aars‧wis

Noun

aarswis f (plural aarswissen, diminutive aarswisje n)

  1. (obsolete, colloquial) (scrap of) toilet paper
    • 1662, Jan Vos, "287. Aan S. J.", in Alle de gedichten, Vol. 1, Jacob Lescailje (publ.), page 404.
      'k Zat op een ezel, laat gy door uw aarswis weeten. / Gy ſchryft, gelyk men zegt, niet zoet: maar zot van aart: / Het zou een ezel zyn hadt ik op u gezeeten: / Want gy zyt, als gy rydt, een ezel op een paardt.
    • c. 1706, Staat en inventaris van de Nalatenschap van Don Gio dy Straatslypio y Pluggio, pages 48 and 49.
      Den Theſaurier van den Berg Ætna komt van deſen Boedel de ſomme van elf en dertig Stuyvers, Kleefs-geld, over de Ordinaire Verponding, de Anno Nullo, van de voorſz Hals-Heerlijkheyt van Poepelaroe : volgens een Sommatie-biljet, ſeer fraay op een Aarswis gedrukt.
This article is issued from Wiktionary. The text is licensed under Creative Commons - Attribution - Sharealike. Additional terms may apply for the media files.